Een belangrijke collega om mee samen te werken

Het is jouw werk als preventiemedewerker om ongelukken en calamiteiten te voorkomen. Maar hoe goed jij je werk ook doet, het kan altijd een keer misgaan. Dan komt je collega in actie: de bedrijfshulpverlener (BHV’er).

Let op jullie verschillende taken
Niet alleen jouw functie is opgenomen in de Arbowet. Deze wet verplicht werkgevers ook om BHV’ers aan te wijzen. Jouw taken en die van de BHV’ers vullen elkaar aan.

  • Als preventiemedewerker handel je proactief: je werkt aan goede arbeidsomstandigheden, om zo de risico’s te verminderen en ongelukken te voorkomen.
  • De BHV’er gaat reactief te werk: hij komt pas in actie als er iets misgaat. Dan lost hij het probleem zo goed mogelijk op, en beperkt zo de schade.

Het belangrijke werk van de BHV’er
De Arbowet geeft niet veel regels voor de BHV. Maar de wet beschrijft wel welke taken de BHV’er heeft. De bedrijfshulpverlener:

  • verleent eerste hulp bij ongevallen;
  • beperkt en bestrijdt brand;
  • beperkt de gevolgen van ongevallen;
  • alarmeert en evacueert bij noodgevallen alle werknemers én andere mensen in de organisatie;
  • alarmeert bij noodgevallen de (externe) hulpverleners.
Jij helpt mee aan de BHV-organisatie
Het is jouw taak om (mede) de RI&E uit te voeren. Je zoekt dus ook uit hoe groot de risico’s op ongevallen en brand zijn. En je kijkt hoe jullie de bedrijfshulpverlening (BHV) zó kunnen organiseren, dat de gevolgen van ongevallen en brand zo klein mogelijk zijn. Zo zorg je ervoor dat de BHV’ers hun werk zo goed mogelijk kunnen doen. Dit is belangrijk, want de Arbowet geeft hier geen regels voor.

Zorg voor soepele samenwerking
Jouw werk heeft veel invloed op hoe de BHV’er zijn werk doet. En jij hebt zijn kennis nodig om een goede RI&E op te stellen. Het is belangrijk dat jullie soepel samenwerken en het werk handig afstemmen. Als je geregeld overlegt, kun je samen de beste arbeidsomstandigheden creëren. En misschien ben je zelf niet alleen de preventiemedewerker, maar óók BHV’er. Ook dan kun je ervoor zorgen dat de taken goed op elkaar aansluiten.

De Arbowet bepaalt niet hoeveel BHV’ers je moet aanwijzen. Je moet zelf vaststellen hoeveel BHV’ers nodig zijn. Je organisatie moet wel meer dan één BHV’er hebben. De Arbowet stelt namelijk verplicht dat er altijd minstens één BHV’er aanwezig is. En iedereen is wel eens ziek of met vakantie.

Gebruik de 3-minutenregel
Wil je bepalen hoeveel BHV’ers je organisatie nodig heeft, dan moet je naar verschillende zaken kijken. Denk aan de omvang van je organisatie en het aantal werknemers en bezoekers. En houd rekening met de roosters van je collega’s, bijvoorbeeld als ze ploegendiensten draaien. Vervolgens kun je de 3-minutenregel gebruiken. Deze stelregel houdt in dan er altijd binnen drie minuten een BHV’er ter plaatse moet zijn. Op welke plek in je organisatie het noodgeval zich ook voordoet.

Benut deze handige tips
Stel je een rooster op voor de aanwezigheid van BHV’ers, dan kun je deze tips gebruiken:

  • Spreid de BHV’ers zo veel mogelijk over de verschillende locaties of afdelingen van je organisatie. Zo is er bij een noodgeval altijd iemand in de buurt, die snel ter plaatse kan zijn.
  • Stel bij voorkeur collega’s met een interne functie (in de binnendienst) aan als BHV’er. Zij zijn vaak in het bedrijfspand aanwezig.
  • Verplicht je collega’s niet om BHV’er te worden. Een collega die vrijwillig BHV-taken uitvoert, doet dit werk vaak het beste! Wel kan het stimulerend werken als BHV’ers jaarlijkse vergoeding krijgen.
Samen kun je meer!
Zijn er in de directe omgeving van je bedrijfspand andere organisaties gevestigd? Dan mag je ook met hen samen de BHV organiseren. Je kunt dan jullie kennis delen. En misschien kunnen jullie samen gemakkelijker genoeg BHV’ers vinden. Je moet deze samenwerking wel goed schriftelijk vastleggen. Ook blijft iedere organisatie altijd zelf verantwoordelijk en aansprakelijk voor de BHV.

 TNO heeft een rapport geschreven over de risicogestuurde benadering:

https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2015/08/11/tno-rapport-risicogestuurde-brandveiligheid-in-de-langdurige-zorg

Daarin zit ook een stuk over BHV en de beschikbare berekeningsmethoden voor het aantal benodigde BHV’ers. 

De BHV’ers doen belangrijk en soms gevaarlijk werk. Ze moeten dus goed zijn opgeleid en hun taken voldoende hebben geoefend. Ook moeten ze een goede uitrusting hebben. Daarvoor staan geen duidelijke regels in de Arbowet. Je moet daarom uit je RI&E afleiden welke opleiding en uitrusting BHV’ers nodig hebben. Dit kun je dan opnemen in het plan van aanpak.

Kijk goed naar de RI&E
De Arbowet bepaalt dat er genoeg BHV’ers moeten zijn met voldoende opleiding om hun taken goed te kunnen uitvoeren. Het is aan jou om te bepalen hoeveel opleiding en oefening genoeg is! Daar zegt de wet niets over. Dit hangt onder andere af van de risico’s die in de RI&E staan. Zijn die risico’s beperkt? Dan kun je BHV’ers bijvoorbeeld ieder jaar een cursus van één dag aanbieden. Zijn de risico’s groter? Dan is het verstandig als ze vaker op cursus gaan.

Kies de juiste cursus
Er zijn ook geen wettelijke regels voor BHV-cursussen. Die verschillen per aanbieder. Toch zijn er wel overeenkomsten. Wordt een collega BHV’er, dan is het voor kleine organisaties meestal voldoende als hij een basiscursus BHV volgt. Je kunt ook kiezen voor aparte cursussen voor bijvoorbeeld eerste hulp of brand blussen. Het is goed als je iedere BHV’er vervolgens minstens één keer per jaar een herhalingscursus laat volgen. Zo blijft zijn kennis actueel en kan hij alle handelingen oefenen.

Laat alle werknemers oefenen
Niet alleen de BHV’ers moeten goed en snel handelen in een noodgeval. Het is belangrijk dat ook de andere werknemers weten wat ze moeten doen. Je kunt daarom de BHV’ers vragen om oefeningen te doen met de hele organisatie. Zo kunnen ze een brandoefening doen, waarbij ze het bedrijfspand ontruimen. Het is goed om ook deze oefening bijvoorbeeld ieder jaar te herhalen.

Controleer de uitrusting
De Arbowet schrijft voor dat alle BHV’ers de juiste uitrusting hebben. De wet beschrijft die uitrusting verder niet. Je kunt denken aan een volledige EHBO-doos, een omroepsysteem voor ontruimingen, veiligheidshesjes en brandblusmiddelen. Het is belangrijk dat je geregeld kijkt of alle spullen in de EHBO-dozen nog binnen de houdbaarheidsdatum zijn. Laat de brandblusmiddelen volgens de voorschriften periodiek testen en onderhouden. Het is verstandig om dit in de RI&E op te nemen.

Pas op voor een ingewikkelde taakverdeling
Je mag de BHV-taken verdelen over verschillende BHV’ers. Zo kan de één zich specialiseren in ontruimingen en de ander in brand blussen. Maar pas wel op! Er moeten altijd voldoende BHV’ers aanwezig zijn voor iedere taak. Als je de taken verdeelt, kan je BHV-rooster dus erg ingewikkeld worden. Dan heb je misschien ook meer BHV’ers nodig.

Goede voorbeelden kan je vinden op: http://www.goedebhvpraktijken.nl

Als de nood aan de man is, moeten BHV’ers snel handelen. Ze hebben dan geen tijd om te overleggen over de aanpak: er moet een plan klaarliggen. Dit is niet wettelijk verplicht. Maar het is erg verstandig als de BHV-organisatie zorgt voor een actueel BHV-plan.

Het plan kan voldoen aan de nieuwe norm NEN 8112 . Dit is een procesnorm met een toolkit.

Zorg dat het plan compleet is
Je kunt de BHV’ers helpen met het opstellen van een BHV-plan. In dit plan staan in ieder geval:

  • de alarmprocedures;
  • de afspraken bij verschillende soorten incidenten;
  • de taakverdeling en verantwoordelijkheden;
  • plattegronden van het bedrijfspand of -terrein met daarop onder andere de blusmiddelen, vluchtwegen, verzamelplaatsen, nooduitgangen en hoofdschakelaars.

Maak het plan bij iedereen bekend
Het BHV-plan werkt alleen goed, als iedereen het kent. Niet alleen de BHV’ers moeten in noodgevallen snel handelen. Ook de andere werknemers én eventuele bezoekers moeten weten wat ze te doen staat. Ze moeten de vluchtroutes en nooduitgangen kennen. En ze moeten de BHV’ers herkennen en hun instructies kunnen opvolgen. Zorg dat het BHV-plan altijd binnen handbereik is van de BHV’ers én alle anderen. Hang de instructies bijvoorbeeld op centrale plaatsen aan de muur.